Participatie nog steeds niet op orde

Het college van burgemeester en wethouders heeft het participatiebeleid laten evalueren. Dit vond eerder plaats in 2020. De evaluatie is uitgevoerd door het externe bureau P3 Communicatie. De evaluatie kende drie onderzoeksvragen. De eerste was werkt het participatiebeleid in de praktijk, met als subvragen: Voldoet het beleid? Is het werkbaar en hoe ervaren bewoners en medewerkers het? De tweede onderzoeksvraag betrof hoe participatie onder jongeren te vergroten. De laatste vraag was of de doelstellingen uit de herijking van Delfts Doen in 2020 zijn behaald? Is er een eenduidige en transparante manier van werken ontstaan?
Onderstaand eerst een samenvatting van het evaluatierapport. Daarna enkele kanttekeningen.

Werkt het participatiebeleid in de praktijk?
Eerst is gekeken naar het beleid op zich. Het huidige participatiebeleid van Delft is gebaseerd op drie documenten die de gemeenteraad eind 2022 heeft vastgesteld: de Verordening participatie en uitdaagrecht, de Nota Participatie in Delft en Delfts Doen, de Delftse methode voor participatie.

Bij het vergelijken van het Delftse participatiebeleid met dat van andere middelgrote gemeenten hebben de onderzoekers geen grote verschillen geconstateerd. De meeste gemeenten hanteren dezelfde uitgangspunten zoals openheid, invloed, transparantie en maatwerk. Het participatiebeleid van Delft sluit, net als dat van andere gemeenten, nauw aan bij landelijke richtlijnen en de geest van de Omgevingswet. Er zijn ook geen inhoudelijke lacunes ontdekt.

Vervolgens is er gekeken naar de uitkomsten van de DIP-enquête Burgerparticipatie van 2024. Het Delft Internet Panel (DIP) is een vaste groep mensen die een aantal keer per jaar het verzoek krijgt om hun mening te geven over Delft. De panelleden krijgen via e-mail een uitnodiging om online een vragenlijst in te vullen over allerlei Delftse zaken. Voor de enquête Burgerparticipatie zijn 2.763 panelleden uitgenodigd. Hiervan vulden 1.376 personen de vragenlijst in, wat een respons van 50 procent is.

Uit de enquête blijkt dat 85 % van de respondenten burgerparticipatie (zeer) belangrijk vindt. En 84 % is bereid om actief mee te denken of te praten. Ruim drie van de tien respondenten had eens meegedaan aan een participatietraject. Hun ervaring was 36 % positief, 35 % negatief en 29 % neutraal.

Aan de bewoners die al een keer hebben meegedaan aan een participatietraject is vervolgens gevraagd om een zestal aspecten van burgerparticipatie te beoordelen met een rapportcijfer. De resultaten staan in onderstaande tabel.

Aan de respondenten die aangaven te willen participeren is vervolgens gevraagd over welke onderwerpen zij het liefst willen meedenken of meebeslissen over maatregelen in de eigen buurt? De uitkomst staat in onderstaande tabel.

Hoe vergroten we de participatie onder jongeren?
De tweede onderzoeksvraag betrof hoe de participatie onder jongeren te vergroten. Er nemen weinig jongeren deel aan de DIP-enquêtes. Daarom is er, aanvullend op de DIP-enquête Burgerparticipatie, onderzoek gedaan onder Delftse jongeren (16–24 jaar). Dit vond plaats via digitale vragenlijsten en interviews op plekken waar ze zelf komen, zoals sporthallen en ontmoetingsplekken. Hieruit blijkt dat jongeren meer bij participatie betrokken kunnen worden wanneer de gemeente actief op de jongeren afstapt.

Zijn de doelstellingen uit de herijking van Delfts Doen (2020) behaald?
De derde onderzoeksvraag betrof of de doelstellingen van de herijking van Delfts Doen in 2020 zijn bereikt, namelijk een eenduidige en transparante manier van werken. Het rapport geeft een overzicht van de diverse acties die sindsdien door de gemeente zijn genomen. Hierbij worden onder andere de volgende constateringen gedaan:

  • Sinds de vorige evaluatie van Delfts Doen in 2020 heeft de gemeente zichtbaar geïnvesteerd in het samenwerken met de stad.
  • Het lerend vermogen groeit, maar ontbreekt aan structuur: evalueren, documenteren, terugkoppelen en delen zijn nog geen verplichte stappen in het proces.
  • Vaardigheden die zorgen voor betere participatie (omgevingsbewustzijn, samenwerking, resultaatgerichtheid) worden nog onvoldoende systematisch ontwikkeld en getoetst; verankering via onboarding en leiderschapsprogramma’s is nodig.

Vier wethouders zijn, vanuit hun rol als bestuurlijk opdrachtgevers, gevraagd naar hun bevindingen met het participatiebeleid en met burgerparticipatie rond de projecten, nota’s en beleid waar zij verantwoordelijk voor zijn. Hun reacties laten een gedeeld beeld zien: Delft is duidelijk in beweging, maar de uitvoering vraagt om meer structuur.

De conclusie van het rapport
De conclusie van het onderzoek is tweeledig: het participatiebeleid van Delft voldoet inhoudelijk, maar er is nog geen eenduidige en transparante manier van werken. Als de gemeente meer jongeren wil betrekken, dan vraagt dat om een extra stap, waarbij zij zelf actief op jongeren afstapt.
De aanbevelingen richten zich niet op nieuw beleid, maar op het versterken van vakmanschap, structuur en organisatiebreed eigenaarschap betreffende participatie.

We zijn er nog lang niet
Het onderzoek laat zien dat het nog niet goed gesteld is met de burgerparticipatie in Delft. Uit de DIP-enquête blijkt dat 85 % van de respondenten burgerparticipatie (zeer) belangrijk vindt en 84 % is bereid om actief mee te denken of te praten. Echter, slechts 36 % van de mensen die een participatietraject hebben gevolgd omschrijft hun ervaring als positief, 35 % als negatief en 29 % als neutraal. De gemeentemedewerkers willen volgens de evaluatie de participatie goed doen, maar missen daarvoor tijd, middelen en een duidelijke werkwijze. De beleidsdocumenten waarop de participatie is gestoeld worden als goed beschreven. Met andere woorden de praktijk, lees de gemeentelijke organisatie, kunnen zich niet houden aan de theorie.

Sinds de komst van de Omgevingswet is elke initiatienemer verantwoordelijk om zelf de participatie te verzorgen. Dit geldt dus ook als de initiatiefnemer niet de gemeente, maar een bedrijf of een particulier is. Soms is bij het afwijken van een omgevingsplan participatie verplicht; de gemeenteraad heeft daar een lijst voor vastgesteld (zie meer hierover hier). In die gevallen zal de gemeente bij het besluit op de aanvraag kunnen meewegen of participatie een goede rol heeft gespeeld bij het ingediende voorstel. Aan het onderwerp participatie door andere initiatiefnemers dan de gemeente wordt ten onrechte geen aandacht besteed in de evaluatie. Ook wordt er geen aandacht besteed aan het tweede onderwerp van de Verordening participatie en uitdaagrecht, namelijk het uitdaagrecht: het recht van ingezetenen en lokale maatschappelijke partijen om een verzoek bij het bevoegde bestuursorgaan in te dienen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen, als zij denken deze taak beter en goedkoper (in ieder geval budgetneutraal) uit te kunnen voeren.

Participatie moet wat opleveren. In de Nota Participatie in Delft staat “Participatie leidt tot betere plannen, meer draagvlak én een vlottere besluitvorming.” Er zijn zeven gemeentelijke participatietrajecten geëvalueerd door middel van interviews met medewerkers van de gemeente. Wij missen hierbij de vraag “geef concrete voorbeelden van substantiële verbetering van het plan door de participatie.” Er staat nu “Medewerkers zien participatie als waardevol: het vergroot draagvlak, voorkomt weerstand en levert betere plannen op.” Participatie wordt dus primair gezien als smeermiddel.

Verder missen wij dat wel wethouders, maar geen gemeenteraadsleden in de evaluatie zijn bevraagd. De raad zet niet alleen de kaders, in de vorm van de drie beleidsdocumenten waarop de participatie is gebaseerd, maar heeft ook als taak het juist uitvoeren van beleid door het college te controleren. Juist in de raad is gebrek aan participatie een vaak terugkerende gespreksonderwerp.

Het rapport noemt een groot aantal verbeterpunten en doet aanbevelingen. Dit was ook het geval bij de evaluatie van 2020, zonder dat dit tot grote verbetering heeft geleid zoals blijkt uit het rapport. In de oplegger bij het aanbieden van het rapport aan de gemeenteraad staat “Uitvoering van de aanbevelingen vraagt menskracht, middelen, gecoördineerde actie en borging binnen de gemeentelijke organisatie. Het rapport geeft een belangrijke aanzet tot gesprek over participatie, maar biedt nog geen gemeentebrede aanpak. Er is behoefte aan verdere concretisering, betere benutting van praktijkervaring, nadere onderbouwing en afstemming hierover”. Het lijkt wel of participatie nog moet worden uitgevonden!

Onze ervaringen ten aanzien van participatie zijn soms goed, vaak ook minder goed. Soms krijgen wij het gevoel dat de participatie niet van harte gaat, maar alleen gebeurt omdat het nu eenmaal moet, het vakje afkruisen dus. Verder hebben wij de indruk dat ambtenaren soms bang zijn voor de mogelijke uitkomsten van participatie. Plannen moeten mogelijk worden aangepast, wat veel extra werk betekent, en regelmatig wordt gezegd “dat kan niet, want de wethouder wil dat niet”. Zijn wethouders en leidinggevenden wel bereid om doelen aan te passen op basis van participatieuitkomsten?

Voor de oplegger Evaluatie Participatiebeleid klik hier.
Voor het rapport – Van beweging naar borging – Evaluatie participatiebeleid gemeente Delft 2025 klik hier.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *